Mijn keel voelt alsof er een bal in zit die alles dat er langs wil, afremt en wegdrukt. Mijn hoofd bonst. Buiten is het warm, maar mijn armen en benen tonen kippenvel. Alleen het idee van opstaan is al vermoeiend. De situatie lijkt mij duidelijk: ik heb een griepje. Voor geleidehond Esmee, daarentegen, is het niet zo simpel.
Esmee weet zich geen raad met me. Ze ligt veel in haar mand en zoekt weinig contact. Op pad gaan gaat niet, dus verzin ik wat anders. Speeltjes terugbrengen vindt ze normaal gesproken een grappig spelletje. Zeker als ik er oefeningen in verweef en we lekker samen bezig zijn. Dat kan ook vanuit een stoel. Vind ik. Maar daar denkt zij heel anders over. Ze lijkt ineens totaal vergeten dat ze heel goed weet hoe oe een speeltje keurig in mijn hand kan leggen. Ze mikt het op de grond en kijkt me van een afstandje aan.
"Apport", herhaal ik.
Ze tikt mijn hand aan, alsof ik wartaal uitkraam. En als ik het ding uiteindelijk krijg en nogmaals weggooi, rent ze er blij heen, om er daarna ver mee uit mijn buurt te blijven.
Als ik op de bank lig, komt ze niet bij me kijken. Maar zodra mijn vriend thuiskomt, is ze een en al kronkelende kwispelstaart. Hij neemt haar mee wandelen. Als ze terugkomen, vraag ik of ze wil eten. Brokken krijgt ze eigenlijk altijd van mij. Hoe blij ze ook is om mijn vriend te zien, hoe graag ze ook met hem stoeit, als ik ineens verschijn of in actie kom, is de interesse weg. De juiste woordkeuze is normaal al helemáál een reden tot ongeduldig gekwispel en volle aandacht voor wat ik ga doen. Niet nu. Ze hoort me en draait zich resoluut om naar mijn vriend, afwachtend. Ik heb duidelijk afgedaan.
Wanneer ik de energie ergens uit verborgen gaatjes bij elkaar sprokkel en me op de grond laat zakken, kan stoeien en knuffelen ineens wel. Zelfs in kalmere vorm. Bij haar op de grond ploffen is al jaren een uitnodiging voor gezellligheid. Een tandje minder is blijkbaar heel wat anders dan een andere uitgangspositie. Zodra ik me weer overgeef aan me lamlendig voelen, druipt ze af.
Als ik de volgende dag wel met haar naar buiten loop, krijg ik geen kans om de beugel van haar geleidetuig te pakken. Ze kruipt kwispelend tegen me aan en wil eerst een uitgebreide knuffel, helemaal blij dat ik weer normaal doe. Dat ik me voel als een lappenpop en dat ik hier alleen sta omdat toch iemand haar moet uitlaten nu we alleen thuis zijn, deert haar niet.
Opnieuw wordt me het verschil duidelijk met mijn vorige hondenmaatje. Die voelde feilloos aan wanneer ik niet helemaal mezelf was, ook als ik dat zelf nog niet eens in de gaten had. Ze tikte me aan als ik verdrietig piekerde, om dan tevreden te gaan liggen na een aai en een glimlach. Hoe blij ik ook deed, zij wist wanneer ik nog niet fit was. Ze spiegelde mijn emoties en vergrootte die uit, tot het punt dat mensen zich afvroegen of zij ziek was en ze ook daadwerkelijk te warm aanvoelde. Wilka reageerde op, hoe zal ik het noemen, mijn energie? Esmeetje daarentegen reageert, net als mijn eerste hond Freaser, veel meer op gedrag. ‘What you see is what you get’, zo werd mij de labrador al meerdere keren getypeerd. Blijkbaar past Esmee dat ook op mij toe. Net als grote Freas, met de helft labradorgenen, die vaak stilletjes aan de andere kant van de kamer ging liggen als emoties te hoog opliepen naar zijn zin. Hoe anders hij ook was en hoe koppig en onzeker hij ook kon zijn, ik herken bepaalde trekken terug in mijn kleine kruimeltje. Hun motto: ik kom wel terug als je weer normaal doet. Maar goed dat zo'n griepje gewoon weer overgaat.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten