25 januari 2026

Inclusie als ambacht

Interieur van een olieslagerij in een houten gebouw. In het midden staat een zware ronde bak. Daarbinnen hangt een groot houten frame met twee stenen stampers. Daarboven een groot houten tandwiel en aandrijfconstructie onder het balkenplafond. Linksachter zie je een projectie van een wit paard met tuig.

Zo veel mogelijk bezoekers het verleden laten beleven. Het Nederlands Openluchtmuseum deed het al lang voordat inclusie een modewoord werd. Toen ik een klein meisje was, waren er dagen waarop ik en mijn medeblinden en slechtzienden van alles mochten voelen. Na misschien wel meer dan 25 jaar ga ik terug. De tijd is niet stil blijven staan, zelfst niet tussen al die gebouwen en gewoonten van weleer. Is ook dit veranderd?

Onverwachte paardensprongen

Vooraf zoek ik de openingstijden en vind veel meer nuttige informatie. De website van het Openluchtmuseum doet me denken aan die van Britse musea: ik lees dat assistentiehonden overal mogen komen, welke routes en gebouwen met een rolstoel toegankelijk zijn, waar je glutenvrij kunt eten enzovoort. Veelbelovend.

Begeleid door de klanken van een midwinterhoorn lopen we de winterkermis op. We staan nog maar net te kijken bij de paardenderby als de man ons vanuit de kraam door zijn microfoon maant dichterbij te komen. Voor ik het goed en wel doorheb, krijg ik een houten balletje in mijn handen om mee te oefenen voor de volgende wedstrijd begint. Als de bal in een van de drie gaten belandt, maakt boven een paard een sprong. Een kleine, middelgrote of grote. Wie diens paard het eerst over de finish leidt, wint.

Vertwijfeld laat ik mijn hand rusten in de houten bak. Moet ik rollen, gooien, stuiteren? Hoe ver? Ik voel alleen het begin van de bak.
“Als een sjoelbak”, roept de man me toe.
Aha. Ik handel en de bal verdwijnt in de bedieningskast. Oeps. Nog eens en nog eens rol ik, maar ik heb geen idee hoe mis ik mik. Dan knipperen de lichten en begint de race. Als ik de man en mijn vriend moet geloven, schuifrolt mijn bal prompt drie keer in het verste gat en ligt ons paard op voorsprong. Mijn vriend en ik wisselen af en als de lichten weer knipperen, is het ons paard dat de eindstreep bereikt. Zo doe je dat dus, iedereen betrekken.

Een ambacht verstaan

In een boerderij luisteren we met andere bezoekers naar uitleg over hoe in de winter vlas werd verwerkt tot draad voor linnen. Daarna gaat meteen het verboden-toegang-koord aan de kant en stap ik op een normale museumdag binnen handbereik van de interessante spullen.
“Mag ik uw hand pakken?”
Dat klinkt als een training. Maar wat netjes, in tijden van consent. En het laat de regie bij mij. Ik bevestig en de man leidt me langs de verschilende onderdelen van het maakproces. Mijn handen glijden over een spinnewiel, een houten constructie om de buitenkant van de vezels af te slaan en een soort kam waarover het vlas daarna werd getrokken. Een ‘hekel’ genoemd. De meiden zaten daaraan vaak tegenover elkaar te roddelen tijdens het stoffige werk. Vandaar de uitdrukking ‘iemand over de hekel halen’. Als ik het simpele linnen vest dat de knecht kreeg betast, voelt dat met al die kennis ineens als iets heel waardevols.

Vanuit de radmakerij even verderop is de radmaker meer dan bereid om onze vragen te beantwoorden. Bezoekers mogen niet verder dan de deuropening, maar de man ziet mijn witte taststok en overhandigt me een ‘tastwiel’, een kleine versie van zo’n wiel waar de Achterhoek bekend om werd. Zo krijg ook ik een indruk van hoe die houten wielen werden opgebouwd. En worden, want de radmaker werkt nog volgens het oude ambacht aan wielen voor elders in het museum.

In de olieslagerij wordt lijnzaad – afval van bovengenoemd winterwerk – verwerkt tot olie en koeken (veevoer). Verhalen loskrijgen is blijkbaar ook buiten mijn werk mijn tweede natuur. Zo ontdek ik dat volgens de olieslager de afstand tussen ambacht en bezoekers jaren geleden al groot was. Nu is er juist steeds meer aandacht voor ambachten. Het museum biedt tegenwoordig ruimte om zelf op laag niveau aan de slag te gaan, omdat daar vraag naar is. Ook ontdek ik dat op de achterwand een paard wordt geprojecteerd. Veel bezoekers die het zien, zijn ervan overtuigd dat de pers nog steeds werkt op paardenkracht.
“Maar dat hoor je toch?”, flap ik er verrast lachend uit.
Want meer dan het geratel van de onderdelen is er niet. Geen hoeven op de grond, geen paardengeur. Even later, als hij de machine laat doen waar die voor gemaakt is, namelijk een wig naar beneden slaan zodat de olie uit de zaden wordt geperst, wordt dat geratel regelmatig overstemd door een korte, felle klap. Deze mensen verstaan hun vak: als radmaker, olieslager enzovoort, en als verhalenverteller en gids. Met oog voor alle zintuigen.

Op stoom komen

Als we na een rondje door de zuivelfabriek aankomen bij de stoommachine die alles aandrijft, blijkt een man die net op te starten. Als we blijven staan kijken en luisteren, vult hij zijn uitleg aan met beeldbeschrijvingen. Hoe dik de olie is die hij gebruikt om de boel te smeren, bijvoorbeeld. Ik hoor hoe de stoom door de machine sist om de boel voor te verwarmen. Als hij daarna de overtollige stoom weghaalt, zodat er geen condens op verkeerde plekken achterblijft, lijkt het wel alsof een gigantisch wezen zwaar ademend achter het hekje ligt. En dan mag hij aan. Puffend komt het gevaarte op stoom. Om even later te vertragen en in volume flink te dalen tot een zacht, ritmisch achtergrondgeluid. Ben ik even blij dat we het imposante ontwaken meepikten!

Ik snuif de geur op en glimlach. Dit weet ik nog. Zelfs dat we hier naar buiten kunnen, klopt. Dat deze machine het hart van de zuivelfabriek is, daarentegen, was ik totaal vergeten. Blijkt wel wat indruk maakte op het kleine meisje uit een ‘boerendorp’. Niet het kaas maken.

Als de machinist buiten de stoomfluit hard heeft laten klinken en wij naast de open deur naar de ketel staan, vraagt hij me in hoeverre ik die kan zien. Zodra hij weet dat ik er niks van meekrijg, beschrijft hij de afmetingen. En daarna komt hij met nog iets veel beters op de proppen: een maquette van de stoommachine.
“Mag ik uw hand vastpakken?”
Zie je wel, een training!, grinnik ik in gedachten. Een goeie training, dat mag duidelijk zijn.

Model van een stoommachine. Links een blauwe cilinder met een zuiger. Vanuit de cilinder loopt een zwarte stang naar rechts, verbonden met een zilverkleurige drijfstang die een groot grijs vliegwiel aandrijft.

Een maquette kan door te veel detail onbegrijpelijk worden voor tastende vingers. Deze doet precies wat die moet doen. De machinist laat mijn vingers de weg van de stoom volgen: de machine in, zodat die de zuiger opzij duwt. Dan wordt die route geblokkeerd en gaat de stoom via de andere kant, waardoor de zuiger terugschuift. Ernaast voel ik hoe die beweging uiteindelijk de banden aandrijft die door de fabriek lopen. Ik ben 36 en ik snap hoe een stoommachine werkt. Blij als een kind loop ik mee naar de volgende ontdekking.

Jeugdig enthousiasme

In de stroopstokerij proeven we appelperenstroop en horen we hoe fruit verandert in dat heerlijke, kleverige goedje. Dan betreed ik wederom het ‘verboden’ terrein van de ambachtslieden en voel ik de grote ketels.

Nergens vallen de woorden ‘beperking’, ‘handicap’ of ‘blind’ (tenzij ik die zelf in de mond neem). Tot we de tentoonstelling ‘(On)beperkt. Leven met een handicap’ bezoeken. Wat ben ik blij dat ik geen bedelaar of mandenmaakster ben. En wat schrik ik elke keer dat ik hoor hoe recent dat nog mijn lot had kunnen zijn. De geportretteerden hebben gevarieerd werk en willen gewoon mens zijn met toevallig een handicap. Ook leren we over het leven in Het Dorp.

Wat me nog meer opvalt? Ook de jeugd is geboeid. Nergens hoor ik woede-uitbarstingen of gekrijs om ijs. Wel gelach, en geroep naar de poppenkast zoals mijn klasgenootjes en ik dat vroeger op school ook deden als Jan Klaassen en Katrijn langskwamen. Een jochie vraagt de klompenmaker het hemd van het lijf.
“Maar hoe haal je de binnenkant er dan uit?”
Een geduldige uitleg volgt.
Gretig: “Mag ik dat zien?”
Dat mag hij. Een wereld gaat voor hem open. In steeds meer musea zie ik computerspellen en andere flitsende, snelle techniek om jongeren aan te spreken. Dit museum gaat ook mee met zijn tijd. Het is vernuftig hoe filmpjes starten zodra je een ruimte binnenstapt of stoppen wanneer je een oortelefoon terughangt – heel duurzaam. Maar geboeid word je vooral door wat je ziet en hoort buiten de schermen, door wat je kunt proeven, proberen, ruiken. We kijken terug naar het verleden; door deze jonge bezoekers krijg ik hoop voor de toekomst.

Niks veranderd?

Tijd verstreek. Ik ben geen klein meisje meer. De dagen voor blinde en slechtziende bezoekers zijn verleden tijd. Er kwamen gebouwen bij. Maar het Openluchtmuseum doet nog steeds wat het jaren geleden al deed: zijn bezoekers een leuke, interessante dag bezorgen. Ongeacht wie ze zijn. Het museum heeft dat modewoord niet nodig om goede sier te maken. Inclusie staat tot het Openluchtmuseum als stoom tot een stoommachine: het zet alles in beweging.

1 opmerking:

  1. Wat prachtig Doreen! Hulde dat in het Openluchtmuseum iedereen op de manier die hem/haar past, mag ervaren.

    BeantwoordenVerwijderen