14 augustus 2026

Lichtpuntje

Zwarte achtergrond met in het midden een grotere en meerdere kleinere witte vlekjes

“Eigenlijk is het helemaal niet handig dat we dan uit eten gaan”, meld ik als mijn vriend net een tafeltje heeft gereserveerd. Voor 12 augustus, 19.00 uur. Zo’n kwartiertje later begint de zonsverduistering. Die wil vast iedereen zien en het wordt mooi weer, dus het terras zal wel vol zitten. En hij had nog wel de moeite genomen twee eclipsbrilletjes voor ons te kopen. Ik had mijn ideeën over de avond alweer klaar. Het universum maakte er iets heel anders van.

Gezellig geroezemoes komt ons al uit de verte tegemoet. Maar toch neemt een medewerker ons mee naar een tafeltje buiten. En als ik tegenover mijn vriend ga zitten en mijn blindengeleidehond een plekje op de koele stenen wijs, voel ik de zon op mijn rug. Mooi, dat betekent goed zicht voor mijn vriend.

Een ober merkt de brilletjes op en vraagt wat verrast of we naar het heelal gaan kijken. Onze aandacht gaat eerst naar het lekkere eten. Maar als mijn vriend een tijdje later een brilletje voor zijn ogen houdt, blijkt er ook van de zon een hapje genomen te zijn. Met het minibeetje zicht dat ik heb, zal ik dat niet zien. Maar ik ben wel nieuwsgierig hoeveel licht zo’n ding doorlaat en of ik daarmee überhaupt de zon kan lokaliseren.

Ik houd het stukje plastic voor mijn ogen en draai mijn gezicht vol in de warmte van de zon. Prompt beginnen mijn ogen nog drukker te bewegen dan anders. Ze knijpen en proberen zelfs tranen te produceren. En dat terwijl ik alleen de iets lichtere rand om het plastic registreer. Ik probeer op het donker te focussen, maar meer dan zwart verschijnt er niet. Toch snap ik mijn lichaam wel. Zelfs met mijn donkerste zonnebril op geeft de zon een scherpe steek als mijn blik per ongeluk die felle lichtbron treft. Warmte recht op mijn gezicht en open ogen betekent pijn, die associatie zit blijkbaar diep. Fascinerend.

Ik draai me weer om en prik een volgende hap aan mijn vork. Aan het gesprek achter me hoor ik dat onze bezigheden de aandacht hebben getrokken.
“Kunnen jullie wat zien?” klinkt het nieuwsgierig, als ze merken dat wij dat doorhebben.
Na een bevestiging en aanbod van mijn vriend, neemt een vrouw een van de brilletjes aan. Even later volgt een verraste uitroep.

Hoewel het de afgelopen dagen over weinig anders leek te gaan, zijn wij op dit terras de enigen die zijn voorbereid. Nu hij ons en de buren hoort, wil de ober meer weten. Tot twee keer toe vraagt hij wat sceptisch of het echt al zo goed zichtbaar is, maar laat zich verleiden dat met eigen ogen te ontdekken. Hij kan een ongelovige uitroep niet onderdrukken. Dat trekt natuurlijk de aandacht. Wat beschroomd vraagt een andere medewerker of ze ook even mag kijken. En zo gaat het verder. Totdat er een rij bij ons tafeltje staat. Ook het brilletje dat we uitleenden aan onze buren gaat van hand tot hand. Een medewerkster brengt er, na goedkeuring van ons, een naar eters aan de andere kant van het terras. Collega’s vertellen elkaar wat er gebeurt en zelfs het keukenpersoneel komt geïntrigeerd een kijkje nemen. Leuker dan de livestream die ze binnen volgen, vertrouwt een van hen ons toe.

Met een grote glimlach op mijn gezicht hoor ik de ene na de andere bewonderende uitspraak. Een “Toch wel leuk om even gezien te hebben”, is verreweg de nuchterste. Mensen kijken eventjes, zijn onder de indruk, reageren verbaal en sporen dan anderen aan om ook een blik te werpen. Ze zorgen dat een van beide stukjes plastic geregeld bij ons op tafel ligt, keer op keer krijgen we de vraag of het echt oké is dat we ze niet allebei zelf binnen handbereik hebben en de bedankjes zijn niet van de lucht. Er is geen geduw of getrek, geen ongeduld, geen gesnauw, geen mensen die de ervaring alleen voor zichzelf opeisen. Twee brilletjes voor een vol terras gretige mensen blijkt meer dan genoeg.

Dit is een situatie waarin ik me erg buitengesloten had kunnen voelen. Want iedereen om me heen geniet van iets waar ik niet eens naar kan kijken. Toch is het tegendeel waar. Door hun enthousiasme, de hartelijkheid, de saamhorigheid tussen volslagen vreemden. En omdat ik iets doorheb dat iedereen lijkt te ontgaan. Hebben zij echt niet in de gaten dat er veel meer gebeurt dan alleen dat veranderende bolletje licht?

Toen dit alles begon, zat mijn vriend in de zon. Even later werd alleen zijn gezicht beschenen. Dat weet ik doordat het helderblauw van zijn trui en de lichtere vlek daarboven me vertellen waar zijn hoofd is. En natuurlijk de richting van waaruit zijn stem klinkt terwijl we praten en lachen om de reuring om ons heen. Even later is die vlek nog maar half licht, en al gauw verdwijnt dat lichte deel helemaal. En ik voel hoe de warmte van mijn rug verdwijnt. Snel, te snel voor een zonsondergang. Bij een zonsondergang voel ik zolang de zon zichtbaar is en ik in de vuurlinie sta, de warmte ervan afstralen. Een snelle blik over mijn schouder leert me dat er meer licht boven de horizon is dan de warmte doet vermoeden. Als ik niet beter had geweten, zou ik denken dat er een wolk deels voor de zon schoof. Ik zie hoe de lucht donkerder wordt, op een manier die niet strookt met het tijdstip op deze mooie zomeravond. Ik sluit mijn ogen en draai mijn gezicht vol naar het licht. Dat is fel genoeg om met gemak door mijn oogleden te dringen. Maar de warmte blijft uit.

Oké, nog één keer proberen dan. Nu de warmte is verdwenen, kan mijn hoofd het misschien winnen van de angst in mijn lijf. Ik kom overeind en ga achter mijn vriend staan. Ik plaats het brilletje weer tegen mijn gezicht en positioneer mijn hoofd naast het zijne, zodat ik weet in welke richting ik moet kijken. Ik knijp een oog dicht en richt me op mijn minst slechte oog. En dan, als dat eeuwig heen en weer schietende oog over het donker flitst, zie ik even een speldenprikje licht. Oh, daar! Nu ik weet waar ik moet zoeken, vind ik het terug. Hoe kan de zon in zo’n bril zo minuscuul lijken? Of ligt dat aan mijn zicht? Wat sowieso aan mijn ogen ligt, is de vorm. Want ik zie geen rondje met een stuk eruit. Ik zie niet eens netjes een lichtje. Ik zie er twee. Dit fenomeen herken ik. Zeker in het donker zie ik fellere lichtbronnen, zoals lampen, lang niet altijd als een mooi geheel. Ze vervormen, worden meerdere lichtvlekken of krijgen stralen of een extra lichtstreep ernaast. Een paar minuten later deelt mijn oog wat overblijft van de zon zelfs op in zes stukjes licht. En waarschijnlijk niet één op de juiste plek.

Dit schiet niet op, besluit ik. Ik kan blijven turen naar dit versnipperde licht, dat me iets vertelt over zon noch maan. Of ik kan ervan genieten. Zonder aarzeling leg ik de bril neer, zoek mijn stoel weer op en keer de zon mijn rug toe. Daar zijn ze weer, die koelere wind, donkere hemel, een soort verstilling en al die vrolijke mensen om me heen. Ik vraag mijn vriend wat hij precies ziet. En even plak ik mijn oog tegen het scherm van zijn telefoon. De grotendeels opgegeten zon is via de livestream op dat beeldscherm een stuk groter dan wat ik zojuist zag. Zo krijg ik een indruk van de vorm en van hoe snel die verandert.

Als ik het nog niet had geweten, weet ik het dankzij al die stemmen nu: dit gebeurt pas weer in 2081. Ik hoor herinneringen over 1999, en vooral hoe bijzonder het is dit mee te maken. Als we vertrekken, vertelt een medewerker ons dat ze gasten nog nooit zo massaal zag reageren. En dan is er nog mijn eigen ervaring, met al mijn zintuigen. Want ondertussen hebben we ook nog goed gegeten. Wat mijn oog me ook probeert wijs te maken, deze avond is in alle opzichten een lichtpuntje.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten