zaterdag 31 januari 2015

Varen op de Canto Ostinato


Daar zit ik dan. Voor me staat een vleugel. Achter me staat een vleugel. En ook aan mijn linker- en rechterhand staat zo’n prachtig instrument. En dat is nog niet alles: aan iedere vleugel zit een getalenteerde pianist. Samen vormen zij het Simeonkwartet. Voor iedereen die houdt van de mooie klanken van de piano, zou dit dé ideale plek moeten zijn. Ik ben zo’n liefhebber. Piano spelen is heerlijk; mezelf laten meevoeren op de gevoelige klanken gecreëerd door een ander is nog veel mooier. Maar nu weet ik niet wat ik moet verwachten. Of beter gezegd, ik weet wat ik zou moeten gaan ervaren. En dus ben ik niet op mijn gemak, hoe mooi mijn plekje ook is.
 
“Het is heel bijzonder, echt een ervaring.” Dat is wat ik al vaak over de Canto Ostinato heb gehoord. Het stuk is gecomponeerd door de Nederlandse Simeon ten Holt (1923-2012). Het is een minimalistisch stuk, dat veel herhalingen bevat. Het stuk zou de luisteraar overweldigen - voor hoe lang, dat weet niemand, ook de musici niet. Dit omdat ter plekke wordt bepaald hoe vaak elk stukje wordt herhald en ook welke accenten het krijgt. Het is muziek die ik uit mezelf nooit zou draaien. Ik ben nog nooit naar een pianoconcert geweest en ben dus absoluut niet geoefend in het luisteren naar en vooral het waarderen van ‘zware’ muziek. En ik wil het graag mooi vinden. Ik wil, ik moet, ik denk... Maar dan begint de muziek.
 
Aandachtig luister ik naar de klanken die de ruimte vullen. Van alle kanten word ik bestookt door het geluid. Gefascineerd probeer ik te ontcijferen welke klanken nu van welke vleugel afkomstig zijn. Hoe de melodieën verweven. Ik vraag me af wat ik nu zou moeten voelen.
 
Ineens dringt het tot me door dat ik geen vier piano’s meer hoor. Het zijn geen losse toontjes of losse maten muziek die toevallig samenvallen. Het is een stroom, die aanzwelt, weer afneemt, golft. De stroom is eensgezind, lijkt niet te stoppen te zijn maar is absoluut niet op hol geslagen. En ik bevind me middenin die stroom. Het middelpunt zijn, letterlijk of figuurlijk, is niks voor mij. Maar ook al zit ik in het midden, het middelpunt ben ik niet. Ik heb net zo weinig over de muziek te zeggen als een blad dat wordt meegevoerd door de wind. Ik hoef ook niet elk druppeltje van de stroom te vangen en te analyseren. Ik laat me meevoeren op die stroom. Ik dobber ontspannen voort, word meegenomen door de muziek die soms aanzwelt, me krachtig meevoert en me dan weer even loslaat. Kleine golfjes worden afgewisseld met pieken en dalen. Het ene moment nader ik een stroomversnelling, het andere dobber ik als op een luchtbedje op een kalme rivier. Het is heerlijk.
 
Mijn armen liggen zwaar op mijn benen, die al net zo zwaar en slap aanvoelen. Maar het is niet de ontspanning van verveling of slaap. Ik heb geen idee meer van tijd. Dat besef ik, maar het doet er tegelijkertijd ook helemaal niet toe. Het maakt me ook niet uit wanneer de stroom zal eindigen. Dit is geen disinteresse. Wat het wel is, is met geen pen te beschrijven. Muziek is niet te beschrijven. Zeker niet deze muziek. Deze muziek moet je ervaren. En pas dan ontdek ik dat wat me was verteld inderdaad klopt: het is een ervaring.
 
Ik word getroffen door de harmonie die daarvoor nodig is. Want ook al voelt het niet zo, er zitten toch echt vier mensen, vier heel verschillende mensen, achter vier verschillende piano’s. Ze spelen niet alleen exact gelijk, maar ook met dezelfde intentie. Met zijn vieren vormen ze de stroom tot wat deze is: constant veranderend, eensgezind. Alsof er een viervoud van één instrument en één energie in de ruimte is. Dat vergt kunde en oefening. Toch heb ik misschien nog wel meer bewondering voor de andere aspecten die uit hun samenspel blijken. Het is één geluid, één geheel. Als vanzelf gaan ze samen over naar een nieuwe klank, een nieuwe manier van spelen. Het kan niet anders dan dat deze mensen elkaar ontzettend goed kennen, op elkaar steunen en elkaar door en door vertrouwen.
 
De stroom is beëindigd. De laatste klanken zijn al lang weggestorven. Ik sta op een koud perron, starend naar een leeg spoor. Mijn trein is net vertrokken. Ik zal later thuis zijn, maar het doet me niks. Ik plof op een bankje en wacht. Mijn lijf voelt nog steeds ontspannen en mijn humeur is als een heldere dag. Die vreemde Canto Ostinato heeft dat toch maar mooi geflikt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen